ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Archief

26 oktober 2014, preek in de Drie Stromen

E-mail Afdrukken PDF

Preek in de Drie Stromen op 26 oktober 2014

Lezingen: Ex. 20-26 en Matth. 22, 34 -40

Zusters en broeders,

Gisteren vertelde me iemand, dat ze voor twee maanden naar Suriname gaat, om haar zieke moeder te verzorgen. De vakantie besteedde ze er aan en ze nam onbetaald verlof op. Als ik zoiets hoor, dan doet het me goed. Dan denk ik: Wat zal die vrouw van haar moeder houden. Ik kan ontroerd raken, als ik zie hoeveel tijd en aandacht ouders aan hun kinderen besteden. Niet zelden maak ik mee hoe twee mensen van elkaar houden. Vooral geliefden spreken dat ook uit: Ik houd van jou. ‘Je zult je naaste beminnen als jezelf’, dat is een gebod, dat moeite kan kosten maar dat ook iets heel vanzelfsprekend is en dat niet zo moeilijk is als het tussen twee geliefden gaat.

Maar wie is die naaste? Ik heb daar over zitten nadenken en ik kwam al gauw uit bij die eerste lezing. Daar worden namen genoemd voor de naaste. Dat zijn de vreemdeling, de weduwe en de wees. Op deze manier worden mensen aangeduid, die kwetsbaar en afhankelijk zijn. Een vreemdeling is iemand, die niet thuis is en daarom afhankelijk is van de welwillendheid of de gastvrijheid van de ander. In onze samenleving kunnen wezen en weduwen vaak wel rondkomen, maar hoe erg is het, als je de vanzelfsprekende ouderliefde moet ontberen. En wat betekent het als je alleen komt te staan en de gewone dingen van het leven niet meer met elkaar kan delen. Behalve de vreemdeling, de weduwe en de wees zijn er heel veel kwetsbare en afhankelijke mensen, dichtbij en veraf. Ik denk de laatste dagen nogal eens aan kinderen of jongeren die gepest worden. Op een of andere manier zijn zij vreemdeling op scholen of ze worden zo beschouwd.

‘Bemin je naaste als jezelf’. Veel mensen zijn blij met dat laatste bijvoegsel. Als je niet van jezelf houdt, dan kan je ook niet van een ander houden, menen ze. Met instemming las ik een uitspraak van een zekere rabbi Mosje Leib. Hij zei:’Een mens die niet iedere dag één uur voor zichzelf heeft, is geen mens’. Maar ik denk nog aan iets anders. Wij kunnen zelf de vreemdeling, de weduwe of de wees zijn. Wat de ene mens vandaag gebeurt, dan kan mij morgen overkomen. Maar dat niet alleen. Ieder mens heeft kracht, maar is ook kwetsbaar en kent bij tijd en wijle dezelfde gevoelens als de wees, de weduwe of de vreemdeling. Wie deze lastige kanten van zichzelf onder ogen ziet en aanvaardt, gaat ook anders om met de mens, die op haar of zijn weg komt. ‘Die is sus of zo, maar ik ben er zelf ook zo een. Dus laat ik haar of hem behandelen, zoals ik zelf behandeld zou willen worden, als ik in dezelfde omstandigheden verkeer. Zou het gebod, dat Jezus naar voren haalt ook niet hier over gaan? Liefde gaat dan verder dan onze behoefte om iemand te helpen. Je doet het meer van binnen uit, zonder een ander neer te drukken, te vernederen of dit of dat te ontlenen aan jouw liefdadige inzet.

Maar dit is nog maar een deel van het antwoord dat Jezus aan de Farizeeën geeft. Het eerste gaat over God. Je zult de Heer uw God liefhebben met heel je hart en met heel je ziel en met heel je verstand.’’ Dit gebod wordt door Jezus en de andere Joden zo belangrijk gevonden dat ze het iedere dag drie keer citeren. In kleine mesoesa’s hangen ze het aan de deurposten van hun huis, opdat ze het niet vergeten. Is het wel mogelijk God lief te hebben. Hij lijkt zo ver weg en Hij woont in het ontoegankelijk licht? Een theoloog zei: ‘Ik geloof in God, maar ik houd van de mensen”. Daar heb ik over zitten nadenken. Is dat bij mij ook zo? ‘Ik ken een psalm, die ik af en toe met instemming en niet zonder gevoel lees: ‘Heer u heb ik lief,mijn sterkte zijt Gij’. Dat is dan fijn voor mij, dat ik af en toe iets denk te voelen bij God, iets wat mij warm maakt en bemoedigt, maar volg ik dan dit gebod op?

Ik wil delen met u, hoe ik er over heb nagedacht. God woont weliswaar in het ontoegankelijk licht. Hij is verborgen voor ons oog, maar in de mens heeft Hij iets van Zijn glorie, Zijn aanwezigheid neergelegd. De mens is naar Zijn beeld geschapen. We houden van God, zou ik zeggen, als we met eerbied en aandacht omgaan met de mens, ook met de lastige naaste. We houden van God, als we bij wijze van spreken, net als Franciscus de melaatse kussen. Als we de mens, ook de meest nederige goed doen, niet uit de hoogte, maar als gelijke en zonder bijbedoelingen, dan geven we eer aan God. Dan hebben we hem lief. En hoe zou je dat kunnen, als je jezelf geen tijd geeft om aan Hem te denken, tot Hem te spreken, je hart voor Hem te openen, van Hem kracht en liefde vraagt.

Franciscus heeft ooit zijn eigen levenshouding in drie woorden samengevat, die met het oog op ons onderwerp er toe doen: Danken, dragen en dienen. Die drie D’s. Wie dankbaar in het leven staat, is zich er van bewust hoeveel hij heeft gekregen, wellicht alles: het leven zelf, de talenten, de mogelijkheden, de mensen om je heen. Als je weet, dat je veel hebt gekregen, dan heeft het leven iets van ‘teruggeven’. Ik geef iets terug van wat ik heb ontvangen. Dat kan gebeuren door elkaar te dragen. En dat ligt heel dicht bij verdragen.. Ik denk echt dat we elkaar moeten dragen, ook in onze kwetsbaar wordende geloofsgemeenschappen. En dan het woord ‘dienen’’: we zijn geroepen om elkaar te dienen, maar dan niet bevoogdend of vanuit de hoogte maar vanuit een diep besef, dat wij gelijken zijn van elkaar, kinderen van God en wat de een vandaag overkomt, kan morgen met mij gebeuren.

 

Laatste aanpassing op woensdag 18 maart 2015 16:08