ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Archief

16 november 2014, preek in de Martelaren, 40-jarig priesterfeest

E-mail Afdrukken PDF

Preek op 16 november in de Martelaren

Lezingen: Jer. 1, 4 -10 en Joh. 15, 1 -5

Zusters en broeders, lieve mensen

Het was 1973. Ik volgde een pastorale training met een stage in de Spaarndammerbuurt. Op een zondagavond zag ik Pater van Kilsdonk op de televisie bij een uitzending over kardinaal Alfrink. Hij had het over de toekomst van de pastores. ‘Er komen nauwelijks priesters meer bij’, zo betoogde hij. En als er nog jongens zijn, die priester willen worden, dan zijn het wereldvreemde, wat schlemielige knapen. Omdat de pater bij ons op de training een inleiding zou houden, belde ik hem op:’Pater, uw opmerking vond ik niet zo leuk. Ik denk er toevallig aan, om me in de toekomst me tot priester te laten wijden…’De pater was helder en duidelijk:’Dan is die opmerking precies voor jou bedoeld en op jou van toepassing’. Daar kon ik het mee doen. Overigens kon ik het later meer dan goed met de pater vinden.

Maar ik vertel het verhaal niet omdat ik mezelf  toen wereld vreemd vond. Maar buitengewoon begiftigd met flair of zelfvertrouwen was ik ook niet. Ik aarzelde eerder over mijn geschiktheid of mijn waardigheid. De tekst uit Jeremia, die ik indertijd rond mijn wijding koos en die ook vandaag gelezen is,  was een verademing en gaf me ruimte. Wat zegt de profeet, als hij zich geroepen voelt?’Nee, Heer God, ik kan het word niet voeren, ik kan niet spreken. Ik ben nog te jong. Ik ben maar een jongen’. En God antwoordt: ‘Zeg niet: ‘Ik ben te jong’. Richt je tot iedereen tot wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. Wees voor niemand bang. Ik zal je bijstaan en redden’’.  De tekst droeg er niet weinig toe bij, dat ik het aandurfde.

Niet voor niets wordt die tekst opnieuw gelezen, na veertig jaar. Die aarzeling over geschiktheid en waardigheid is gebleven. De tekst is echter geladen met de ervaring, dat ik niet in de steek gelaten ben. Meer dan eens heb ik het ge voel gehad, dat mij woorden in de mond zijn gelegd, die een beetje boven mij uitstaken. En niet zelden overkomt mij het gevoel, dat de inspiratie, die ik heb gekregen niet is uitgedoofd: Niet in gesprekken, niet in de verkondiging, zelfs niet in vergaderingen. En wie kan de overvloed aan inspiratie meten, die ik van u parochianen en van jullie, mijn lieve broers en zussen en vrienden en vriendinnen heb gekregen. Mag ik dat genade noemen?

Trees, we kennen elkaar al heel wat jaren. De vriendschap met jou is mij heel dierbaar. We hebben heel veel met elkaar gedeeld. Je hebt prachtige dingen geschreven over genade. Hoe kijk jij tegen deze ervaring aan? Etty Hillesum zei eens: ‘Ík wil je helpen God, om God te zijn’. Mijn ervaring is: God heeft mij geholpen, om zijn aanwezigheid te laten voelen.’

Leo,

een aantal jaren geleden bezocht jij Dresden en daar bezocht je ook de opnieuw gebouwde barokke Frauenkirche. Deze kerk was in de tweede wereldoorlog vrijwel met de grond gelijk gemaakt. Je was onder de indruk van een kapel in de crypte, onder de kerk. De kapel heet de kapel van  de niet geheelde wonden. Je wilde iets met die niet geheelde wonden.

Wij zijn op een weg van iemand die uit de dood verrezen is, maar wiens wonden daardoor niet geheeld zijn. We kunnen de wonden ook na zijn dood en verrijzenis aanraken. Die paradox, dat gebroken leven, leef jij ten voeten uit. In je persoonlijk leven en in je leven als pastor. In veel situaties die je tegenkomt ben je je ervan bewust dat je helemaal niks kunt oplossen van het verdriet, de armoede, de gekweldheid van mensen. Je weet dat we allemaal van die niet geheelde wonden hebben. Maar je bent nabij en met jouw aanwezigheid breng je God nabij. Dat is genade, dat mensen, met Gods aanwezigheid door kunnen leven met hun niet geheelde wonden. Die wonden moeten we met elkaar durven zien, durven aanraken, en de randen ervan verzachten. Jij doet dat.

Dank je wel Trees. Wat je zegt raakt me en ik weet weer wat ik met die kapel wilde. Het was midden in de tijd van de priesterschandalen en het werd duidelijk hoeveel er geleden wordt. Het heeft me veel bezig gehouden.

Mag ik toch iets over de tweede lezing, het Evangelie zeggen. ‘Ik ben de wijnstok. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan geen vrucht dragen’. Voor mij is het heel belangrijk verbondenheid te voelen. Ik ben blij, dat ik aan parochies of aan mensen verbonden ben.  Ik ben heel blij dat ik grote verbondenheid voel met mijn familie en vrienden. Vooral tijdens mijn ziekte heb ik ervaren en gevoeld, hoe belangrijk dat voor mij was.  Zou ik dat ook mogen zeggen van de verbondenheid met Christus? Ik durf nauwelijks te zeggen, dat ik die heb, maar ik durf wel te zeggen, dat ik daar werkelijk naar verlang en naar op zoek ben. Ik weet dat ik in dat zoeken en in dat verlangen niet de enige ben. Ik deel dat met velen.  En ik weet, dat ieder van ons dat op een eigen, vaak authentieke en eerlijke manier doet.

Mag ik zeggen dat in die zoektocht naar verbondenheid de Eucharistie voor mij belangrijk is. De Communie is voor mij een moment, waarop ik me geborgen en aanvaard weet. Maar de Eucharistie is voor mij ook een deelname aan het geheim van het lijden, het sterven en de verrijzenis van Christus. Ik bedoel dat bij de viering van de Eucharistie ons eigen lijden maar ook het lijden van de mensen van deze aarde op tafel ligt, ook als die voert tot de dood. We vieren ook de verrijzenis van Christus en dat is hoop en bemoediging voor allen die lijden en een uitnodiging ons eigen aandeel niet te onderschatten. Ik bedoel dat ik er naar verlang met Christus verbonden te zijn, maar het is wel een christus, die zijn Lichaam gebroken heeft en daardoor voeling heeft met onze gebroken wereld en met ons vaak gebroken leven.

Trees:

In het evangelie spreekt Jezus over de ranken die vrucht dragen, en ook over de ranken die door  God afgesneden  worden. Het zijn de delen van jezelf die lastig zijn, maar ook jij mag een leven leiden van niet geheelde wonden. Het kunnen ook ranken zijn – anderen- die je af moet kunnen snijden. Ik bedoel: misschien mag je wat vaker zeggen, of laten weten, dat mensen of instituten lastig zijn, je hoeft niet alles te verdragen. God blijft toch met jou verbonden.

 

Ongetwijfeld zijn er onvruchtbare ranken. Die zijn er om me heen: mensen en instituten. Maar ik denk vooral aan de onvruchtbare ranken in mijn eigen leven. Net als vele anderen leef ik met tekorten. Soms kan ik er goed mee leven. Soms drukken ze op mij.  Eerlijk gezegd is het me zelf nooit gelukt om onvruchtbare ranken af te snijden. De fouten die ik maak komen steeds terug. Ik kan ook heel moeilijk mensen los laten, ook al zie ik dat het contact weinig vruchtbaar is. Ik doe het zo: ik snijd niet af. Ik werp niet weg. Ik probeer broer te worden van mijn slechte eigenschappen en ze als een zusje of broertje te zien. Die doe je ook niet weg. Daar verhoud je je mee. En daarin ben ik langzamerhand een levensopgave gaan zien: Niet alleen broer worden van mijn eigen onaangename en duistere kanten, maar ook broer van mensen, die we liever ver van ons afhouden. Als ik laat zingen dat de Heer voor mij en achter mij is en Zijn hand op mij heeft gelegd, dan geldt dat niet enkel voor mij, maar voor ieder van ons en voor alle mensen van onze lieve aarde, ook voor de moeilijke mensen.